Na de file

 

Als de file achter de rug is, begint eenmaal in de stad de ellende pas goed. Eerst door tientallen stoplichten heen worstelen om eventjes héél dicht bij de plek van bestemming te komen, maar om uiteindelijk héél ver weg een parkeerplaats te vinden. Fileparkeren betekent de bevrijdende eindfase van de autorit, hoe moeilijk het voor sommigen rijtechnisch gezien ook is.

 

Wij volgden Victor van der Hoop uit Heerhugowaard. Hij moest solliciteren in Amsterdam. Om tien uur had hij een afspraak bij een commissionair aan de Keizersgracht, ter hoogte van de Leidsestraat. Om half acht ging hij in zijn blauwe Fiat Croma van huis, ruim op tijd dacht hij om vooraf nog bij Metz een kopje koffie te drinken. Maar de Coentunnel was hardnekkiger dan anders. Pas om vijf over tien kwam hij de Keizersgracht oprijden. Op zich niet zo'n ramp als hij maar snel zijn auto kwijt kon. Nergens een plaatsje te bekennen. Wel zag hij al overal auto's met wielklemmen. Dat was oppassen geblazen. Een automobilist voor hem stopte en ging iets uitladen, terwijl de lamlendeling vijf meter verderop gemakkelijk bij een uitrit had kunnen parkeren. Op zijn dooie akkertje ging de man te werk, ongevoelig voor claxongeweld. Victor kon niet anders dan zeven minuten lang machteloos toekijken. Vervolgens reed hij tot de Utrechtsestraat door, zonder succes, en daarna reed hij aan de overzijde van het water terug, helemaal tot aan de Rozengracht, waarvan het laatste stuk achter een vuilniswagen. Hij draaide weer om en direct om het hoekje reed gelukkig net een auto weg, tussen een boom en een Amsterdammetje uit. Dat was boffen, er stond niet eens een parkeermeter. Hij was gruwelijk te laat. Onderweg tijdens het lopen begon het hard te regenen en hij zette het op een lopen. Het was veel verder dan hij dacht. Vlak voor de ingang van het pand zag hij nota bene twee vrije parkeerplaatsen. Om vijf voor half elf stapte hij hijgend het kantoor binnen, met een doorweekte jas en een drijfnatte kop. Zijn bril was beslagen en zijn wangen donkerrose. De directeur met wie hij een afspraak had, bleek inmiddels in gesprek met een volgende sollicitant en hij zat tot twaalf uur vol met nog een andere kandidaat. De receptioniste vroeg of hij tot twaalf uur kon wachten en bood hem vriendelijk een kopje koffie aan. Dat laatste sloeg hij een beetje bits af. Zijn humeur was om op te schieten. Het had weinig zin om in de ontvangsthal bij een kopje koffie te mokken. Voor deze ellendige situatie bestond maar één oplossing: zichzelf trakteren. Buiten was het was inmiddels droog. Hij liep naar de Bijenkorf, kocht een mooie nieuwe stropdas, dronk twee heerlijke espresso's en deed zich tegoed aan een chocoladepunt. Zijn ergernis ebde langzaam weg en via de Kalverstraat wandelde hij als herboren terug.

Om tien voor twaalf werd hij geloodst naar de secretaresse van de directeur, waar hij nog even moest wachten. Het gesprek binnen bij de directeur liep kennelijk uit. Een vlotte jongeman liep tenslotte stralend naar buiten. Dat zat wel snor, dat was duidelijk.

Victor ging naar binnen, zich verontschuldigend voor zijn te late komst. De directeur glimlachte, gaf hem een hand en moest nog even naar het toilet. Victor ging voor het raam staan om over de gracht uit te kijken. Het was een schitterend uitzicht vanuit deze kamer met glanzende parketvloer, maar Victor voelde zich niet op zijn gemak. De directeur keerde terug, kwam naast hem staan en zei "Verrekte lollig uitzicht, niet?" en de blik van de directeur dwaalde naar beneden en zijn oog viel op een witte takelwagen van de gemeente die een blauwe Croma voorttrok. "Kassa, weer iemand die verkeerd heeft geparkeerd. Geweldig hè zo'n dienst van de gemeente. Dat is ruim 200 gulden per ritje, gouden business. Als ze dat zouden privatiseren kocht ik meteen aandelen."

Victor keek ook naar beneden en herkende zijn auto, zelfs het nummerbord klopte. Hij slikte. Hij durfde niet te zeggen dat het zijn auto was. Het was alsof de bodem plotseling onder hem werd weggeslagen. De directeur had duidelijk al besloten welke kandidaat was uitverkoren, dat voelde Victor. Die glimlach van de vorige sollicitant, die zelfingenomenheid van de directeur. Die vent, die waarschijnlijk een eigen parkeergarage had, hij kon hem wel wat. Hij wist geen zinnig woord meer uit te brengen. Die verdomde files, die hufters, die arrogante man. De hele wereld was tegen hem. Hij wilde het wel uitschreeuwen, maar stond als verlamd. Eenmaal buiten schopte hij veel te hard tegen een Amsterdammertje.